Het Grote Amsterdamse Buitenspeeladvies
Buitenspelen moet een volwaardige stedelijke prioriteit worden, met centrale regie en gespecialiseerde kennis, om de dalende trend onder Amsterdamse kinderen te keren.
In het kort
- Kinderen spelen aanzienlijk minder buiten dan vorige generaties, vooral in de stad.
- Speelruimte staat onder druk door verdichting, met circa 7.500 geplande woningen per jaar.
- Inwoners geven speelruimte voor kinderen voorrang boven autobereikbaarheid.
- Buitenspelen is cruciaal voor de fysieke, cognitieve en sociale ontwikkeling van kinderen.
Op eigen initiatief presenteert de Sportraad Het Grote Amsterdamse Buitenspeeladvies. De boodschap: buitenspelen moet een volwaardige stedelijke prioriteit worden, met centrale regie en gespecialiseerde kennis.
De aanleiding
Kinderen spelen aanzienlijk minder buiten dan vorige generaties, terwijl de speelruimte door verdichting onder druk staat. Buitenspelen is essentieel voor de fysieke, cognitieve en sociale ontwikkeling van kinderen en verankerd in artikel 31 van het VN-Kinderrechtenverdrag.
De aanbevelingen
Het advies bevat twaalf aanbevelingen, met als centrale boodschap dat Amsterdam een ambitieus buitenspeelbeleid nodig heeft.
Het volledige advies
Het Grote Amsterdamse Buitenspeeladvies
Voor de kleine Amsterdammers
Inleiding
In de jaren ’50 stond de openbare ruimte in Amsterdam onder druk. De oorzaken waren zowel de groeiende populariteit van het autogebruik als het feit dat er in rap tempo woningen werden bijgebouwd. Spelen op straat werd als onveilig ervaren, dus om buiten te kunnen spelen vonden kinderen vooral hun heil in de daarvoor bestemde speeltuinen. Deze hadden een omheining, lagen vaak niet voor de deur en vereisten een lidmaatschap om in te kunnen spelen. Amsterdam stond op dat moment op een kruispunt; geven we de auto en woningbouw vrij baan met als gevolg dat speelruimte voor kinderen verder onder druk komt te staan? Of sturen we bij en zorgen we dat de komende generaties kinderen onbezorgd buiten kunnen blijven spelen?
De stad koos voor de tweede optie. Met als gevolg dat er openbare speelplekken op wijkniveau werden gerealiseerd. Laagdrempelige plekken die voor ieder kind gratis toegankelijk moesten zijn. De Sportraad dook in het Stadsarchief en constateerde dat deze discussie omtrent buitenspeelruimte telkens weer opwaait aan de vooravond van een periode waarin de stad stormachtig groeit. Zo werd er in de jaren ’80 al geroepen om kwantitatieve normen te introduceren voor buitenspeelvoorzieningen – met name in de binnenstad en oude woonbuurten – en constateerde men dat het voorzien in de behoefte aan openbare speelvoorzieningen in nieuw te bouwen wijken ‘een probleem vormde’.
Anno nu is de discussie over een leefbare en speelvriendelijke stad weer volop actueel. Amsterdam heeft wederom torenhoge ambities als het gaat om de groei van de stad. Het stadsbestuur wil 7.500 woningen per jaar bouwen binnen de stadsgrenzen, wat naar verwachting zal leiden tot meer dan een miljoen inwoners in 2040. Terwijl Amsterdam verdicht en de woningvoorraad groeit, neemt de (eigen) buitenruimte van bewoners af en de druk op de openbare ruimte alsmaar toe. Dat was voor het college reden om vorig jaar aan duizenden respondenten te vragen hoe we om moeten gaan met de gevolgen van deze politieke keuze van verdichting. Middels een enquête kregen bewoners de vraag voorgeschoteld: waar wil je in de nabije toekomst meer ruimte voor maken en waarvoor minder? Zoals de opstellers van het onderzoek het zelf formuleerden: ‘Deze deelnemers zaten even op de stoel van de gemeenteraad en het college.’ De uitkomst was enerzijds verrassend en anderzijds begrijpelijk; Amsterdammers kozen niet voor betere bereikbaarheid met de auto en makkelijker parkeren, maar voor meer plekken waar kinderen veilig buiten kunnen spelen.
De cijfers
Dat we er als stad iets mee moeten, moge duidelijk zijn. Onderzoek uitgevoerd in opdracht van Jantje Beton meldt dat maar liefst 400.000 kinderen tussen de zes en twaalf jaar bijna nooit buiten spelen. In 2022 lag dit aantal nog op ongeveer 250.000 kinderen, wat neerkomt op een stijging van 150.000 kinderen – een toename van 60% in twee jaar tijd. Uit onderzoek van Mulier Instituut blijkt dat een gebrek aan toegankelijke en nabijgelegen speelplekken het buitenspelen beïnvloedt. In sterk verstedelijkte buurten is vrije speelruimte schaars, terwijl afstand of barrières (zoals drukke wegen) naar parken en pleinen hoog kunnen zijn. Daar staat tegenover dat de aanwezigheid van voldoende speelplekken en informele speelruimtes - zoals brede stoepen, rustige straten of een grasveldje - voor meer buitenspelen zorgt. Simpel gezegd: als er te weinig speelplekken zijn of ze liggen te ver weg, gaan kinderen minder vaak buiten spelen.
Ondanks dat er geen eenduidige definitie is voor buitenspelen en het lastig is om nauwkeurig te meten, wijzen alle recente onderzoeken wel degelijk op een duidelijke trend: kinderen van nu spelen minder buiten dan hun ouders en grootouders dat deden. Daarbovenop spelen kinderen in stedelijke gebieden nog veel minder buiten dan hun leeftijdsgenoten in niet-stedelijke gebieden. Het maakt dat een stad als Amsterdam een proactieve benadering moet hanteren om speelruimte te creëren en te beschermen.
De Sportraad Amsterdam adviseert de gemeenteraad daarom met urgentie om ambitie te tonen in haar (buiten)speelbeleid. Ieder kind heeft namelijk recht op buitenspelen, zoals vastgelegd in artikel 31 van het Kinderrechtenverdrag. Buitenspelen is niet alleen essentieel voor de fysieke gezondheid van kinderen, maar ook voor het ontwikkelen van cognitieve en sociale vaardigheden. Om er zeker van te zijn dat de komende generaties onbezorgd buiten kunnen blijven spelen is het van belang dat we dit recht van kinderen beter vast gaan leggen, gaan handhaven en vooral gaan toepassen in de praktijk. Zodat deze groep – die zich niet of nauwelijks kan verdedigen in het publieke en politieke debat – niet ondergesneeuwd raakt in de strijd om de fysieke ruimte die momenteel gaande is.
Het afgelopen jaar sprak de Sportraad Amsterdam met Jantje Beton, de Johan Cruyff Foundation, de Kinderombudsman Amsterdam, binnen-en buitenlandse experts op het gebied van buitenspelen en met buurtbewoners die alarm slaan over het tekort aan - of het verdwijnen van - speelplekken in de stad. De rode draad in de gesprekken: Amsterdam staat wederom op een kruispunt. De kinderen anno nu hebben te maken met dezelfde uitdagingen als de kinderen in de jaren ’50 en ‘80: de stad is wederom fors aan het bouwen en het gevoel dat kinderen onbezorgd voor de deur kunnen spelen neemt af. Daarnaast gaat het ondanks de goede voorbeelden en de grote ambities omtrent speelbeleid nog te vaak mis in de praktijk.
Eén van de oorzaken is de versnippering van het speelruimtebeleid over verschillende afdelingen en stadsdelen, wat leidt tot onduidelijkheid in verantwoordelijkheden en een gebrekkige afstemming. Zo is de directie Verkeer en Openbare Ruimte eigenaar van de speeltoestellen, doet Stadswerken het dagelijks beheer en onderhoud, terwijl stadsdelen eigen projecten opstarten met incidentele budgetten. Daarnaast houdt de afdeling Sport & Bos zich bezig met het overkoepelende speel- en beweegbeleid van de stad, maar speelt het geen rol in het beheer of onderhoud van de speelplekken.
Uit het rapport ‘sport- en speelplekken in de openbare ruimte’ van de Amsterdamse Rekenkamer blijkt dat de gemeente als gevolg van deze versnippering geen centraal overzicht heeft van de staat van het speelbeleid als geheel, noch houdt ze gegevens bij over belangrijke kenmerken als grootte, doelgroep of type speelplek. Met andere woorden: niemand kijkt op dit moment naar het totale plaatje. Daardoor is het moeilijk om beleidsmatig te sturen op voldoende speelvoorzieningen en op de kwaliteit ervan. Illustratief voor deze versnippering is het artikel in Het Parool van 12 april 2025, waarin duidelijk wordt dat een stadsdeel wel een zelfstandige visie op buitenspeelplekken heeft geformuleerd terwijl een (integrale) stedelijke visie vanuit de gemeente ontbreekt.
Het inrichten van goede speelplekken vereist echter specialistische kennis en een doordachte aanpak, zeker in een tijd waarin buitenspelen niet meer vanzelfsprekend is. Kinderen groeien op met smartphones en tablets die sterk concurreren met speeltuinen en trapveldjes. Dit maakt dat we ons harder moeten inspannen om kinderen te verleiden naar buiten te gaan. Een speelplek van gemiddelde kwaliteit is niet langer toereikend; men moet onder andere verstand hebben van de inrichting, kindergedrag, verkeersveiligheid en mobiliteit om tot een succesvol ontwerp te komen. Versnipperde verantwoordelijkheden maken het moeilijk om deze expertise gebundeld in te zetten.
Samenvattend zien we twee uitdagingen voor succesvol beleid: organisatorisch (gebrek aan overzicht en samenwerking) en inhoudelijk (hogere eisen aan speelruimte). Om te voorkomen dat Amsterdamse kinderen de dupe worden van deze situatie, is een koerswijziging nodig. Buitenspelen moet een volwaardige stedelijke prioriteit worden, met centrale regie en gespecialiseerde kennis.
De Sportraad Amsterdam doet een dringende oproep aan de gemeenteraad om stelling te nemen, ruim baan te geven aan spelen in de openbare ruimte en expliciet voor de kinderen te kiezen. Dat vraagt om een aantal keuzes die de waarde van buitenspelende kinderen prioriteert ten opzichte van andere belangen. De kernboodschap van dit advies is dan ook duidelijk: het is hoog tijd voor buitenspeelbeleid!
De Sportraad adviseert om een integrale lange termijnvisie voor buitenspelen te formuleren die wordt gedragen door alle betrokken gemeentelijke afdelingen, zoals Openbare Ruimte, Onderwijs, Sport, Jeugd en de stadsdelen. Deze speelvisie moet doelen en verantwoordelijkheden vastleggen, kaders bieden voor nieuwbouw en herontwikkeling, en normen definiëren voor voortgang en kwaliteit. Een goede visie op buitenspelen vraagt bovendien om mensen die de complexiteit van inrichting, gebruik en beheer van buitenruimte in de praktijk begrijpen. Van meet af aan zouden zij niet alleen de beleidsvisie(s) moeten meehelpen opstellen, maar ook betrokken moeten zijn bij de toetsing en evaluatie ervan.
Met de volgende twaalf aanbevelingen doen wij een eerste voorzet voor de basis van ambitieus buitenspeelbeleid. Hiermee beogen wij dat ieder kind in de toekomst vrij en zorgeloos buiten kan blijven spelen. Onze aanbevelingen zijn te categoriseren in de volgende thema’s:
- Borgen van voldoende speelplekken in nieuwbouwprojecten
- Behoud en verbetering van bestaande speelplekken
- Creëren van informele speelruimte in de buurt
- Participatie en conflictoplossing rondom speelplekken
Speelplekken in nieuwbouwwijken
Uit de gevoerde gesprekken – en bestudering van stedenbouwkundige plannen – komt naar voren dat er nog steeds onvoldoende rekening wordt gehouden met de noodzaak van voldoende buitenspeelruimte in de nieuwbouwwijken. Hoewel de gemeente Amsterdam kwantitatieve referentienormen heeft opgesteld voor het aantal kleine en grote speelplekken dat per woning gerealiseerd moet worden, laat de naleving in de praktijk te wensen over. Volgens de Amsterdamse Referentienormen moet er per 300 woningen in een nieuwe buurt een speelplek gerealiseerd worden en per 1000 woningen een speelveld. Het eerder benoemde rapport van de Rekenkamer Amsterdam wijst erop dat relatief nieuwe buurten, bijvoorbeeld in IJburg, Houthavens en NDSM, niet aan deze norm voldoen.
De vrijblijvendheid rondom de realisatie van speelruimte moet eruit. In de eerste planfase zijn projectontwikkelaars erbij gebaat een aantrekkelijk beeld van een gezinsvriendelijke wijk te schetsen, compleet met speelplekken, sportveldjes en groene zones. Zodra er echter in een later stadium knelpunten ontstaan – bijvoorbeeld door stijgende bouwkosten of de behoefte aan meer woningen – blijken speelplekken en sportveldjes vaak als eerste te sneuvelen. Het resultaat is een wijk die op papier kindvriendelijk oogt, maar in de praktijk tekortschiet.
Daar komt bij dat de werkelijkheid van het buitenspelen is veranderd. Kinderen moeten tegenwoordig actief verleid worden om naar buiten te gaan, mede door de aantrekkingskracht van schermen, gamen en sociale media. Buitenspelen vraagt naast een goede fysieke inrichting (‘hardware’) ook om een sterke sociale en programmatische aanpak (‘software’). Kinderwerkers, buurtsportcoaches en vrijwilligers op speeltuinen en sportveldjes spelen hierin een cruciale rol. De gemeente heeft de verantwoordelijkheid om deze inzet structureel te ondersteunen en te stimuleren. Ouders zijn bovendien voorzichtiger geworden en laten kinderen minder vaak zelfstandig naar speelplekken gaan. Volgens Jantje Beton speelt slechts 13% van de kinderen dagelijks buiten zonder toezicht, mede door een gebrek aan geschikte en aantrekkelijke speelruimte. Daarom zal het niet langer alleen de kwantiteit, maar vooral de kwaliteit van speelruimte zijn die kinderen naar buiten brengt.
Nieuwbouwwijken bieden een unieke kans om dit probleem aan te pakken door uitdagende speelruimte vanaf de ontwerpfase integraal mee te nemen in de plannen en juridisch te borgen. Daarbij moet ook worden gelet op de bereikbaarheid en sociale veiligheid van de speelplekken: veilige routes er naartoe (zoals oversteekplaatsen en 30 km/u-zones), voldoende verlichting en de mogelijkheid voor ouders om toezicht te houden vanaf huis vergroten de toegankelijkheid en het veiligheidsgevoel.
Aanbevelingen:
Maak de norm van één speelplek per 300 woningen en één speelveld per 1000 woningen bindend. Deze norm dient verplicht te worden opgenomen in bestemmingsplannen.
Door de norm van één speelplek per 300 woningen en één speelveld per 1000 woningen bindend te maken en verplicht op te nemen in bestemmingsplannen, wordt de speelbehoefte van kinderen structureel verankerd in elke nieuwe gebiedsontwikkeling. Dit voorkomt dat ontwikkelaars speelvoorzieningen in de toekomst als een bijkomstigheid beschouwen en waarborgt dat er in elke buurt voldoende ruimte is voor buitenspelen. In het geval van speelplekken gaat het – onzes inziens – om makkelijk in te passen vierkante meters waar nooit van afgeweken mag worden. Daarnaast biedt het invoeren van een bindende norm duidelijke kaders voor zowel de gemeente als voor ontwikkelaars. Dit zorgt voor consistent beleid waarin speelruimte niet ten koste gaat van andere stedelijke belangen, maar een prioriteit is in de ruimtelijke ordening van Amsterdam.
Introduceer een kwalitatieve norm voor de inrichting van speelplekken.
Het is één om de vierkante meters te realiseren voor speelplekken, het is een tweede om ervoor te zorgen dat ze daadwerkelijk aansluiten bij de behoeften van kinderen en hun ouders. In de praktijk is de speeltoestellencatalogus nog te vaak leidend bij de inrichting van speelruimte. De Sportraad Amsterdam adviseert daarom een bindende kwalitatieve norm te hanteren bij de inrichting van speelplekken afhankelijk van de leeftijdsgroep(en) voor wie het bedoeld is. Voor jonge kinderen (0–6 jaar) moeten speellocaties uitnodigen tot fantasierijk spel, terwijl voor kinderen van 7 tot 12 jaar meer uitdagende en avontuurlijke elementen centraal moeten staan. Daarnaast dient bij het ontwerp en de inrichting van speelplekken rekening te worden gehouden met inclusiviteit: ook kinderen met specifieke behoeften, bijvoorbeeld een fysieke beperking, moeten er veilig en plezierig kunnen spelen.
De locatie van een speelplek is daarbij cruciaal. We kunnen de mooiste speelplekken aanleggen, maar als de directe omgeving als onveilig wordt ervaren – bijvoorbeeld naast een drukke autoweg of bij open water – zullen de kinderen wegblijven. Centrale speelplekken zoals het Van Beuningenplein en het Mariotteplein, en grotere parken als het Sarphatipark en Oosterpark, laten zien dat een combinatie van speelvoorzieningen voor verschillende leeftijden op een plek die ook prettig is voor ouders om te verblijven, wel goed werkt. Belangrijke randvoorwaarden voor ouders zijn bijvoorbeeld schaduwrijke zitplekken en de nabijheid van een horecagelegenheid voor een kop koffie of iets te eten.
Het ontwikkelen van deze norm gebeurt idealiter in samenwerking met deskundigen en de verschillende leeftijdsgroepen. Wij adviseren tevens om te putten uit voorbeelden in buitenlandse steden als Valencia, Kopenhagen, New York en Istanbul, waar met succes de samenwerking is gezocht met kunstenaars bij het ontwerpen van speelplekken. Wat enerzijds heeft geleid tot speellocaties die de openbare ruimte visueel aantrekkelijker maken en anderzijds kinderen meer uitdagen om hun verbeelding te gebruiken en risico’s te nemen bij het spelen.
Maak schoolpleinen groter en richt ze zodanig in dat ze na schooltijden en in het weekend toegankelijk zijn als openbare speel- en ontmoetingsplekken. Dit bevordert niet alleen buitenspelen, maar versterkt ook de sociale cohesie in de wijk.
Schoolpleinen vormen een belangrijke, maar vaak onbenutte kans om het tekort aan speelruimte in Amsterdam aan te pakken. Uit onderzoek van Pointer blijkt dat de inrichting van schoolpleinen in veel gevallen tekortschiet. Geen enkele gemeente lijkt de nieuwe ruimtelijke norm van schoolpleinen van 5m² per leerling consequent te hanteren. Voldoende beweegruimte is echter een basisvoorwaarde voor gezond en actief buitenspelen. Even belangrijk is het om experts op het gebied van buitenspelen nauwer te betrekken bij het ontwerp en de inrichting van schoolpleinen. Door schoolpleinen structureel groter te maken, uitdagend in te richten en ze na schooltijd en in het weekend toegankelijk te maken, ontstaan er extra openbare speelplekken. Dit vraagt om heldere afspraken tussen de gemeente, schoolbesturen en buurtbewoners over beheer, toegankelijkheid en veiligheid. Een goed ingericht schoolplein met zowel gevarieerde speelmogelijkheden als ruimte voor ontmoeting biedt niet alleen kinderen meer kansen om te bewegen, maar creëert door de veelal centrale ligging ook een plek waar ouders en buurtbewoners kunnen samenkomen.
Voorbeeldcasus: het tekort aan speelruimte in de Weespersluisbuurt
De Weespersluisbuurt, een nieuwbouwwijk in Weesp onder de gemeente Amsterdam, werd in de oorspronkelijke plannen gepresenteerd als een kindvriendelijke buurt met voldoende speel- en sportvoorzieningen. Om er zeker van te zijn dat er voldoende speel- en sportvoorzieningen in de wijk zouden worden aangelegd heeft de gemeente een Hoofdstructuur Spelen vastgesteld. Deze werd opgenomen in alle juridische documenten zodat partijen hier daadwerkelijk aan gebonden zijn. De start was veelbelovend; de Hoofdstructuur Spelen bevat een speelplan waarbij planologen en deskundigen hebben bepaald hoe de speelplekken over de wijk moeten worden verdeeld (afstandsnormen) en voor alle leeftijden voldoende speel- en sportplekken van een bepaalde omvang worden aangelegd (variatie en grootte). Zie de kaart hieronder:
- Er zouden drie avonturenveldjes voor 12+ jaar (skatebaan of pumptrack) worden gerealiseerd, maar geen van deze avonturenveldjes is aangelegd.
- Er zouden zes sportveldjes voor 12+ jaar worden gerealiseerd, maar er is in de hele wijk slechts één klein trapveld aangelegd waarvan de ondergrond zeer slecht is.
- Er zouden in de wijk negen speelplaatsen komen voor 7 tot 12 jaar en ook daarvan is bijna niets gerealiseerd. Hetgeen er wel is gerealiseerd zijn geen speelplaatsen maar een paar losse speeltoestellen.
Naarmate de bouw vorderde is echter gebleken dat de afspraken niet werden nageleefd: de oorspronkelijke reserveringen voor speelruimte en groen werden gefaseerd vervangen door plannen voor woningbouw. Bewoners van de Weespersluisbuurt hebben herhaaldelijk hun zorgen geuit en organiseerden protesten om aandacht te vragen voor het tekort aan speelplekken in deze zeer kinderrijke buurt. Onlangs hebben zij zelfs actief bezwaar gemaakt tegen een recent verleende omgevingsvergunning voor de bouw van 36 nieuwe woningen, omdat zij vrezen dat deze het reeds beperkte buitenspeelaanbod verder zullen verkleinen. De bewoners willen bovendien dat de ontwikkelaars eerst het juridisch vastgelegde speelplan uitvoeren en daarmee de oorspronkelijke beloftes voor een kindvriendelijke omgeving nakomen. Tevens vinden zij dat zowel de beloofde (groene) speelplekken en speelvelden moeten worden gerealiseerd als dat de bouw van woningen gelijktijdig plaatsvindt met het realiseren van voldoende recreatieve en maatschappelijke voorzieningen. Deze casus is wat ons betreft exemplarisch voor het belang van afdwingbare kwantitatieve en kwalitatieve normen voor speelplekken, die er voor moeten zorgen dat er niet afgeweken kan worden van afspraken inzake buitenspeelruimte.
Beschermen van bestaande speelplekken
Er zijn 1664 openbare speelplekken in Amsterdam met – zoals eerder genoemd – een hoop mooie voorbeelden van hoe een speeltuin eruit zou moeten zijn. In een stad als Amsterdam zijn zo veel speelplekken geen overbodige luxe. Uit het Rekenkamer Rapport blijkt dat 62 procent van de bewoonde buurten in Amsterdam nog altijd minder dan één speelplek per 300 woningen kent en dus niet voldoet aan de richtlijn die we hebben opgesteld voor nieuwbouwbuurten. Bovendien komen in een steeds drukker en dichter bebouwd Amsterdam bestaande speelplekken onder toenemende druk te staan, terwijl iedere vierkante meter speelruimte van onschatbare waarde is.
Tegelijkertijd zorgt de groei van de stad voor een toename van het aantal kinderen. Dit kan leiden tot intensiever gebruik van bestaande speelruimte en mogelijke klachten over het geluid van spelende kinderen, wat de druk verder zal doen vergroten. Met alle gevolgen van dien; recent onderzoek van Pointer toonde aan dat gemeenten regelmatig speelplekken aanpassen naar aanleiding van klachten over geluidsoverlast. Deze aanpassingen varieerden van het vervangen of weghalen van specifieke speeltoestellen tot het verplaatsen of zelfs volledig verwijderen van de speeltuin. Ook in Amsterdam kennen we deze voorbeelden en vrezen wij dat door het toenemende inwonersaantal – en het intensiever gebruik van speelplekken - de gemeente hier in de toekomst veel vaker mee geconfronteerd gaat worden.
De Sportraad Amsterdam ziet het behoud van speelruimte als cruciaal voor een gezonde en leefbare stad. In een stad die steeds voller wordt is het behouden van speelplekken geen bijzaak maar noodzaak. Het is daarom essentieel dat Amsterdam bestaande speelplekken stevig gaat beschermen. Om te voorkomen dat in de toekomst speelruimte verdwijnt of afgeschaald wordt, zijn er nu duidelijke keuzes en stevige maatregelen nodig.
Aanbevelingen:
Ken speelplekken een (juridisch) beschermde status toe, zodat deze niet opgeofferd kunnen worden aan andere stedelijke functies.
De Sportraad Amsterdam roept de gemeente op om bestaande speelplekken juridisch te beschermen, in het bijzonder binnen de Ring waar de druk op de openbare ruimte het grootst is. In dichtbebouwde wijken, zoals het Centrum waar het tekort aan speelruimte nijpend is, betekent het verdwijnen van een speelplek een onomkeerbaar verlies. Wat eenmaal verdwijnt komt niet meer terug. Dit raakt direct de bewegingsvrijheid van kinderen en het sociale hart van buurten. Zeker op plekken waar de informele speelruimte – buitenspelen op straat – al als onveilig wordt ervaren. Om dit te verhinderen is het noodzakelijk dat speelplekken een beschermde status krijgen. Dit betekent dat bij herontwikkeling of nieuwe ruimtelijke plannen speelruimte niet zomaar mag worden ingeleverd, tenzij er volwaardige compensatie plaatsvindt in dezelfde buurt.
Daarnaast is het hoog tijd dat de bewijslast wordt omgedraaid: ontwikkelaars of andere belanghebbenden moeten met zwaarwegende argumenten aantonen waarom een (beschermde) speelplek aangepast of verplaatst zou moeten worden. Dit geldt eveneens voor bouwplannen in de openbare ruimte die het gebruik van een (beschermde) speelplek aantasten of verslechteren. Een juridische beschermingsstatus biedt niet alleen zekerheid voor de toekomst, maar maakt tevens duidelijk dat de speelruimte van kinderen in Amsterdam niet langer onderhandelbaar is. Dit voorkomt dat speelplekken, die cruciaal zijn voor de leefbaarheid en sociale samenhang in buurten, steeds opnieuw ter discussie worden gesteld.
Neem expliciet in de Algemene Plaatselijke Verordening op dat geluid van spelende kinderen op officiële speelplekken niet als overlast mag worden beschouwd.
Geluidsoverlast kan uiteraard als zeer vervelend worden ervaren. Een woonomgeving met slechts één speelplek voor veel kinderen kan leiden tot grote drukte en daarmee gepaard gaande geluidsproductie. Dit onderstreept het belang van meerdere speelplekken per buurt voor meerdere leeftijdsgroepen, zoals beoogd met de eerdere aanbevelingen over het invoeren van bindende kwantitatieve en kwalitatieve normen.
Echter, maatregelen om het geluid te beperken mogen nooit ten koste gaan van de speelplek zelf. De Algemene Plaatselijke Verordening (APV) regelt de openbare orde en veiligheid binnen de gemeente en biedt het kader voor bepalingen in de openbare ruimte. Door expliciet in de APV op te nemen dat geluid afkomstig van spelende kinderen op specifieke tijdstippen en op daarvoor bestemde speelplekken niet als overlast kan worden aangemerkt, ontstaat er een duidelijke richtlijn voor zowel bewoners als handhavers. Dit voorkomt onnodige beperkingen of sluitingen van speelplekken naar aanleiding van enkele klachten. Zeker in een stedelijke omgeving zoals Amsterdam is het geluid van spelende kinderen een natuurlijk, een wenselijk en een onvermijdelijk onderdeel van het dagelijks leven. Door deze bepaling te implementeren in de APV benadrukt de gemeente het belang dat zij hecht aan een kindvriendelijke openbare ruimte en biedt het net als bovenstaande aanbeveling een juridisch kader om speelplekken beter te beschermen tegen de gevolgen van de verdichtende stad.
De gemeente dient in haar communicatie het geluid van spelende kinderen te positioneren als een positief en gezond aspect van de stad.
De manier waarop de gemeente over speelplekken communiceert beïnvloedt hoe bewoners deze ervaren. Wanneer een term als “geluidsoverlast” bij speelplekken wordt gebruikt, wordt een negatieve lading gegeven aan iets dat juist gestimuleerd moet worden: kinderen die onbezorgd buiten kunnen spelen. De gemeente moet daarom consequent kiezen voor positieve framing. Dit begint bij beleidsdocumenten, openbare communicatie en bewonersbrieven waarin duidelijk wordt gemaakt dat plekken om te spelen een waardevolle voorziening in de wijk zijn. Door actief uit te dragen dat het geluid van spelende kinderen bijdraagt aan de leefbaarheid van Amsterdam, hopen wij dat de acceptatie hiervan wordt vergroot en klachten worden verminderd.
Voorbeeldcasus: het belang van het Vendelplein als beschermde speelplek
Het Vendelplein is één van de weinige speelplekken voor jonge kinderen in het drukke en dichtbebouwde centrum van Amsterdam. Naast de waarde als speelplek vervult het plein een belangrijke sociale functie als ontmoetingsplek voor buurtbewoners. Geplande bouwwerkzaamheden van de Universiteit van Amsterdam - en de mogelijke komst van een bouwkraan direct naast de speeltuin - bedreigen echter het voortbestaan. Buurtbewoners hebben dit probleem onder de aandacht gebracht en een petitie aangeboden aan het dagelijks bestuur van stadsdeel Centrum. In deze petitie wordt benadrukt dat het behoud van het Vendelplein essentieel is voor de leefbaarheid van de buurt. De UvA zegt dat er naar alternatieven gezocht wordt voor de plaatsing van de kraan, maar tot op de dag van vandaag is er nog geen enkele zekerheid dat het Vendelplein in haar huidige staat behouden kan blijven.
Hoewel het dagelijks bestuur positief reageerde en aangaf meer prioriteit te willen geven aan leefbaarheid, groen en speelruimte, wijst deze casus op een groter structureel probleem: de verantwoordelijkheid ligt nu keer op keer bij bewoners om aan te tonen waarom een speelplek belangrijk is en niet mag verdwijnen. De Sportraad Amsterdam vindt dit de omgekeerde wereld. Het Vendelplein illustreert daarom het belang om aan de voorkant al bestaande speelplekken een beschermde ruimtelijke status toe te kennen, vooral in wijken waar speelruimte nu al schaars is.
Creëren van informele speelplekken
Hoewel gemeentelijk beleid meestal sterk inzet op het investeren in formele speelplekken laat onderzoek van de HvA zien dat bijna de helft van de kinderen regelmatig speelt op informele speelplekken. Voor kinderen is het belangrijk om zelfstandig buiten te kunnen spelen, zonder dat ouders hen hoeven te begeleiden. Informele speelruimte, zoals veilige straten, stoepen, pleintjes en hofjes, biedt hen die mogelijkheid. Volgens de Kennisbank Sport en Bewegen speelt 85% van de kinderen het liefst in de directe woonomgeving en verhoogt de aanwezigheid van informele speelruimte binnen een straal van 100 meter de kans aanzienlijk dat kinderen dagelijks naar buiten gaan. Dit benadrukt het belang van een speelse inrichting van de openbare ruimte. En niet onbelangrijk, vooral in dichtbevolkte buurten - waar het moeilijk wordt om extra formele speelplekken in te passen - vormt informele speelruimte een belangrijke basis om buiten te kunnen spelen.
Informele speelruimte draagt bovendien aantoonbaar bij aan kansengelijkheid, omdat niet alle kinderen toegang hebben tot georganiseerde sport of vervoer naar sportaanbieders. Voor deze kinderen zijn informele speelplekken het ideale laagdrempelige alternatief. Het Mulier Instituut stelt dan ook dat informele speelruimte nadrukkelijk moet worden meegenomen in beleid en gebiedsontwikkeling en pleit voor het betrekken van kinderen en bewoners bij het (her)ontwerpen van deze plekken. Uit de cijfers blijkt tevens dat straatspelen sterk afneemt in buurten met veel verkeer, parkeerdruk of een gebrek aan veilige loop- en fietspaden. Buurten met brede stoepen, autoluwe straten en groene hofjes worden door bewoners dan weer als prettiger ervaren. Het is daarom van groot belang om straten kindvriendelijk in te blijven richten en meer in te zetten op informele speelruimte in de nabijheid van de voordeur. In een stad als Amsterdam, waar de openbare ruimte steeds schaarser wordt, vraagt dat soms om creatieve oplossingen.
Aanbevelingen:
Trek lering uit de voorbeelden in Barcelona, Bern en Mechelen en geef bewoners eigenaarschap over hun eigen straten.
Amsterdam is niet de enige (Europese) stad waar kinderen steeds minder buitenspelen. De Sportraad adviseert dan ook om te kijken naar steden die hier al succesvol mee aan de slag zijn gegaan. In steeds meer Europese steden komt een beweging op gang waarbij bewoners letterlijk de ruimte krijgen om mee te beslissen over stadsontwikkeling – en in het bijzonder over de inrichting van een kindvriendelijke en sociale openbare ruimte. Inspirerende voorbeelden zijn de ‘superblocks’ en het ‘playable city’-concept in Barcelona, of de positionering van Mechelen als kinderstad.
Een ander concreet en mogelijk interessant voorbeeld van een lokaal gedragen initiatief zijn de sociale ontmoetingszones in Bern. Daar kunnen bewonerscollectieven een aanvraag indienen om hun straat te transformeren tot een sociale ontmoetingszone: een straat waarin buitenspelen en ontmoeting tussen buurtbewoners centraal staan, en de auto ondergeschikt is. De snelheidslimiet wordt verlaagd naar 20 km/u of het autoverkeer wordt omgeleid, zodat kinderen veilig voor de deur kunnen spelen. Voorwaarde in het aanvraagproces is dat minstens 50% van de bewoners uit de straat hun handtekening zet. Na toekenning zorgt de gemeente – waar nodig – voor nieuwe verkeersverbindingen en verrijkt het de straat met bijvoorbeeld bankjes, straattekeningen of speelvoorzieningen.
Start een pilot voor speelstraten waarbij straten tijdelijk worden afgesloten voor verkeer en ingericht als speelruimte in de schoolvakanties.
Een speelstraat is een ander (Europees) initiatief waarbij een straat tijdelijk wordt afgesloten voor autoverkeer en omgevormd wordt tot een plek waar kinderen veilig kunnen buitenspelen. In Vlaanderen is het inmiddels een bekend concept, zoals in Mechelen, waar een speelstraat kan worden aangevraagd tijdens de zomer- en paasvakantie en op de nationale Buitenspeeldag. Niet zonder succes, de afgelopen zomervakantie zijn er in de Belgische stad 25 speelstraten aangevraagd en gerealiseerd. Deze speelstraten worden volledig afgesloten voor doorgaand verkeer op vaste tijdstippen. Bewoners mogen nog wel met de auto de straat in, maar dan alleen stapvoets.
Middels een eenvoudige aanvraagprocedure kunnen buurtbewoners hun straat opgeven waarna een expertcommissie toetst of de locatie voldoet aan de veiligheids- en bereikbaarheidseisen. Er wordt bijvoorbeeld gekeken of de straat een drukke doorgangsroute is en of er geen haltes voor openbaar vervoer zijn. Als de aanvraag voldoet aan alle criteria wordt een aantal bewoners verantwoordelijk gemaakt voor de organisatie en fungeren zij als aanspreekpunt van de wijk. Deze succesvolle Vlaamse aanpak kan als voorbeeld dienen voor Amsterdam dat zelfs in een rap verdichtende stad meer speelruimte gecreëerd kan worden, notabene voor de deur. Bovendien wordt deze straat op deze wijze – zij het tijdelijk - weer een ontmoetingsplaats voor kinderen en volwassenen.
Richt een minimaal percentage van de straten in nieuwbouwgebieden in als sociale ontmoetingszones, waarbij ruimte voor spelende kinderen prioriteit krijgt boven autoverkeer.
Door een minimaal percentage van de straten als kindvriendelijke zones in te richten – met brede voetgangers-, fiets- en speelgebieden en beperkte toegang voor auto’s – creëren we omgevingen waarin kinderen vrij kunnen spelen en zich veilig voelen. Er is bewezen dat steden die autoluwe of autovrije zones introduceren, niet alleen zorgen voor vaker en meer buitenspelende kinderen, maar ook bijdragen aan een gezondere leefomgeving voor alle bewoners. Door deze norm vast te leggen geven we niet alleen prioriteit aan de rechten van het kind maar ook gehoor aan de uitkomst van het onderzoek ‘Amsterdam maakt Ruimte’. Barcelona ging ons reeds voor door ‘superblocks’ (zie voobeeldcasus) te introduceren.
Voorbeeldcasus: innovatieve kindvriendelijke projecten in Europa
In verschillende Europese steden zien we inspirerende voorbeelden van stedelijke ontwikkeling waarin burgers actief worden betrokken, en waarbij het creëren van veilige buurten voor kinderen om in te spelen centraal staat. De ‘superblocks’ in Barcelona zijn hier een treffend voorbeeld van. Nadat werd geconstateerd dat er in de loop der jaren steeds minder kinderen buiten speelden zijn er complete wijken getransformeerd. Door stadsblokken te creëren waarin het autoverkeer drastisch werd beperkt. Binnen deze zones krijgen voetgangers, fietsers en spelende kinderen voorrang, en wordt de publieke ruimte teruggegeven aan de gemeenschap. De impact is aanzienlijk: kinderen spelen meer buiten, luchtvervuiling en geluidsoverlast nemen af, en bewoners voelen zich sterker verbonden met hun omgeving.
Mechelen laat op haar beurt zien dat een stad zich succesvol kan positioneren als kinderstad door spelen en kinderparticipatie structureel te verankeren in het beleid. Kinderen worden er erkend als volwaardige burgers en betrokken bij de inrichting van speelplekken, terwijl initiatieven zoals speelstraten ervoor zorgen dat er meer buiten gespeeld kan worden in de directe leefomgeving van kinderen. Vergelijkbare concepten zien we in Bern. In Milaan transformeerde het project Piazze Aperte grote pleinen tot voetgangersvriendelijke ruimtes, waarbij de ideeën van Milanese kinderen over speelruimte een belangrijke rol speelden in het herontwerp. Deze steden laten zien dat burgerparticipatie niet alleen een middel is om weerstand tegen verdichting te verkleinen, maar juist een kans biedt om samen met bewoners een stad te bouwen die echt aansluit op hun behoeften.
Amsterdam staat voor een keuze. De stad kan blijven inzetten op een traditionele verdichtingsaanpak, waarin woningbouw domineert en speelruimte onder druk komt te staan. Dit zal echter de afstand tussen politiek en bestaande bewoners verder vergroten en leiden tot een stad die steeds minder uitnodigt tot ontmoeting en (buiten)spelen. De alternatieve route – en de route die steden als Barcelona, Mechelen, Bern en Milaan succesvol hebben bewandeld – is die van een gedeelde ontwikkelcultuur. Een stad waarin bewoners actief meedenken over hun leefomgeving en waar de publieke ruimte echt openbaar blijft. Het buiten spelende kind is daarbij niet alleen het symbool van een leefbare stad, maar ook de ultieme graadmeter: wanneer kinderen vrij en veilig kunnen spelen, weten we dat we op de goede weg zijn.
Participatie van kinderen en conflictoplossing
Het betrekken van kinderen bij het speelbeleid is een noodzakelijke voorwaarde voor succes. Enerzijds ziet de Sportraad te vaak dat bij conflicten rondom speelplekken (groepen) volwassenen tegenover elkaar staan en de stem van het kind niet of nauwelijks wordt gehoord. Anderzijds lijken factoren als de kosten van beheer en inkoop van speeltoestellen soms belangrijker bij de inrichting van nieuwe speelruimte dan de daadwerkelijke wensen van kinderen.
Het rapport ‘Buitenspel’ van januari 2025 van de Kinderombudsman Amsterdam toont aan dat kinder-en jongerenparticipatie positief bijdraagt aan het succes en het draagvlak van speelplekken. Zonder hun perspectief bestaat het risico dat deze plekken niet goed aansluiten bij de behoeften van de doelgroep en daardoor onderbenut blijven. De Sportraad is daarom van mening dat de gemeente Amsterdam niet alleen moet zorgen voor voldoende en kwalitatief goede speelruimte, maar ook dat zij een structurele aanpak implementeert waarin de stem van zowel jonge kinderen als jongeren gehoord en serieus genomen wordt. Met name de participatie van jongeren blijft in de praktijk achter, terwijl hun input onmisbaar is voor het creëren van speelplekken die ook voor deze doelgroep aantrekkelijk zijn.
Aanbevelingen:
Ontwikkel een handelingskader voor bestuurders en ambtenaren bij klachten en conflicten over speelplekken.
Het recht van kinderen om buiten te spelen moet een leidend principe zijn in gemeentelijk beleid. Klachten en conflicten over speelplekken worden nu vaak willekeurig afgehandeld, soms afhankelijk van individuele interpretaties of politieke druk. Dit kan leiden tot onvoorspelbare uitkomsten en drastische maatregelen zoals het verwijderen van speeltoestellen. De gemeente moet daarom heldere richtlijnen opstellen, waarbij niet alleen individuele klachten maar ook de bredere impact op de buurt en de voordelen van de speelvoorziening worden meegenomen. Dit betekent bijvoorbeeld dat er eerst dient te worden gekeken naar alternatieve maatregelen die de speelplek niet aantasten.
Door een handelingskader vast te leggen krijgen bestuurders en ambtenaren een helder kader waarmee zij in lastige situaties beter afgewogen beslissingen kunnen nemen. Zo wordt voorkomen dat conflicten rondom speelruimte telkens opnieuw op een ad-hoc basis worden beslecht. En verdwijnt de stem en het belang van het kind niet naar de achtergrond in een conflict van volwassenen.
Zorg dat kinderen en jongeren structureel worden betrokken bij de ontwikkeling van speelplekken en speelstraten.
Zorg dat kinderen en jongeren van jongs af aan actief worden betrokken bij de ontwikkeling en inrichting van speelplekken. Dit kan door vaste participatietrajecten op scholen of door regelmatig in gesprek te gaan met de Kinderraad. Daarnaast kan de gemeente werken met een online platform waar kinderen hun wensen en ideeën kunnen delen. In Bern werkt de gemeente met een Kinderparlement, waar elk kind tussen de acht en dertien jaar zich voor kan aanmelden, en met een jaarlijks budget van €30.000,- kan meebeslissen over het verbeteren van bestaande speelplekken of het aanleggen van nieuwe speeltuinen. Het voordeel van deze werkwijze is dat alle geïnteresseerde kinderen deel kunnen nemen. Voor Amsterdam zou een dergelijke participatie interessant kunnen zijn om jongeren beter te betrekken, zodat er bij de inrichting van de openbare ruimte ook meer rekening wordt gehouden met deze leeftijdsgroep.
Betrek externe kennis en expertise op buitenspelen structureel door een speelexpertiseteam op te richten.
De Sportraad adviseert een speelexpertiseteam samen te stellen waarin juist de praktijkervaring met het succesvol ontwerpen en programmeren van formele en informele speelruimte vertegenwoordigd is. Deze onafhankelijke groep van experts – met bijvoorbeeld ervaren speelruimteontwerpers, kinderparticipatiedeskundigen, gedragswetenschappers en mobiliteitsexperts – moet de taak krijgen om het overzicht te bewaren en de kwaliteit van speelruimte stadsbreed te bewaken.
Een speelexpertiseteam dient in ieder geval de bevoegdheid te krijgen over de volgende twee onderdelen:
- De bevoegdheid om vroegtijdig plannen te toetsen op speelvriendelijkheid. Bij elk nieuwbouwproject, herinrichtingsplan of grote renovatie moet het team beoordelen of er voldoende en geschikte speelruimte is voorzien, en of deze goed is geïntegreerd in de omgeving (bijvoorbeeld qua verkeersveiligheid). Deze toetsing zorgt ervoor dat speelvoorzieningen vanaf de ontwerptafel de aandacht krijgen die ze verdienen, in plaats van achteraf een speeltoestel op een reststrook te moeten plaatsen. Het team kan zorgen voor meer samenhang tussen speelplekken in buurten. In plaats van losse eilandjes moet er een afgewogen netwerk ontstaan, waarbij speelplekken van verschillende schaal (van kleine buurtspeeltuintjes tot grote centrale speelparken) elkaar aanvullen. Zo moeten kinderen van alle leeftijden en interesses binnen redelijke afstand een geschikte plek kunnen vinden.
- De bevoegdheid om bestaande speelplekken periodiek te evalueren. Door regelmatig de staat van bestaande speelruimtes te controleren – zowel de fysieke staat als het gebruik en de aantrekkelijkheid – kan de gemeente tijdig bijsturen. Wat goed werkt kan worden vernieuwd of behouden, terwijl onveilige of ongebruikte plekken aangepakt of heringericht worden. Deze voortdurende kwaliteitsbewaking, uitgevoerd door specialisten, garandeert dat Amsterdamse speelplekken niet verouderen tot saaie of ongeschikte ruimtes, maar mee-evolueren met de behoeften en demografie van een buurt.
Kortom, Amsterdam heeft baat bij sterk en samenhangend speelbeleid in combinatie met de juiste vakmensen aan tafel.
Voorbeeldcasus: participatie rondom de voetbalkooi aan het Jeltje de Bosch Kemperpad
De voetbalkooi aan het Jeltje de Bosch Kemperpad in Amsterdam-West staat symbool voor hoe het mislopen van goede participatie kinderen kan benadelen. In 2022 besloot het stadsdeelbestuur de kooi te halveren naar aanleiding van klachten van omwonenden over geluidsoverlast. Nadat de beslissing om de voetbalkooi te halveren veel kritiek kreeg zijn er alternatieve maatregelen genomen, zoals een tijdslot en geluidsisolatie aan of rond woningen. Hoewel de buurtbewoners uitgebreid betrokken werden bij dit proces, constateerde de Kinderombudsman Amsterdam in het rapport Buitenspel dat de stem van de belangrijkste gebruikers – de kinderen – onvoldoende werd gehoord.
De Kinderombudsman Amsterdam concludeerde in haar onderzoek dat de gemeente de kinderen in het kader van participatie onvoldoende heeft betrokken, terwijl de inrichting van de speelplek een aangelegenheid betreft die hen direct aangaat. Daarom heeft de Kinderombudsman Amsterdam aanbevelingen gedaan om het recht op kinderparticipatie in het Amsterdamse participatiebeleid te verankeren. Ook zijn er praatplaten ontwikkeld voor professionals en kinderen, zodat er meer aandacht kan worden besteed aan de praktische toepassing daarvan.
De Sportraad Amsterdam benadrukt dat participatie rondom speelplekken geen formaliteit mag zijn. Kinderen moeten daarom structureel en vanaf het begin worden betrokken bij vraagstukken over speel- en sportplekken, zoals ook aanbevolen door de Kinderombudsman Amsterdam.
Conclusie
Tot slot, sinds wij aan dit advies werken zijn er meerdere zorgwekkende signalen gekomen over de toekomst van buitenspelen in de stad. De Rekenkamer concludeerde in november 2024 dat de gemeente te weinig middelen uittrekt voor het noodzakelijke onderhoud en het realiseren van de ambities rondom sport- en speelplekken. En schreef in haar nog recentere rapport ‘Bouwen aan een complete stad’ dat de eenzijdige focus op woningbouw leidt tot een tekort aan speelvoorzieningen in nieuwe wijken. Basisschoolkinderen riepen wethouders Mbarki en Van der Horst op om meer speelplekken te realiseren in de stad. De Kinderombudsman Amsterdam adviseerde om kinderen beter en structureler te betrekken bij beleid en conflicten rondom speelplekken. En D66 kwam met een initiatiefvoorstel om `stoer spelen´ te stimuleren.
Dit is slechts een greep uit de geluiden die wij voorbij zagen komen en ontvingen. Deze signalen maken duidelijk dat er – ondanks de goede voorbeelden - ook breed gedragen zorgen zijn. Wat echter ontbreekt is goede informatievoorziening en een overkoepelende visie vanuit de gemeente als het gaat om buitenspeelplekken. Zonder samenhang dreigen we te blijven steken in losse initiatieven en projecten, terwijl er juist een structurele aanpak nodig is om de rechten van spelende kinderen te waarborgen. Het is daarom noodzakelijk om alle aanbevelingen en signalen in samenhang te bekijken en te bundelen in een integraal actieplan.
De Sportraad Amsterdam is van mening dat de bovenstaande twaalf aanbevelingen zullen bijdragen aan het beschermen, verbeteren en uitbreiden van de speelruimte in onze stad. Dit advies biedt de gemeenteraad en het college van B & W hopelijk een solide basis voor een ambitieus speelbeleid dat aansluit bij de behoeften van kinderen en de leefbaarheid van Amsterdam.
Het is wat ons betreft hoog tijd om de stad terug te geven aan de kinderen. Als we dit nu goed aanpakken kan Amsterdam zich positioneren als een koploper op het gebied van buitenspelen, met beleid dat straks als voorbeeld dient voor andere grote (Europese) steden. Door ambitie te tonen en kinderen centraal te stellen kunnen we laten zien hoe een moderne stad ruimte maakt voor spelen, bewegen en ontmoeting. Niet alleen voor vandaag, maar ook voor de generaties van morgen.
Brian Benjamin (Voorzitter)
Nick Romeijn (Secretaris)
Dit is de integrale tekst van het advies, overgenomen uit de PDF. Alleen de opmaak is aangepast voor het lezen op het scherm.